Regulerende testen van chemicaliën: dieren zijn het slachtoffer van een gefaalde milieubeschermingsstrategie
Het is alom bekend dat giftigheidstesten die gebruik maken van dieren een reeks ernstige tekortkomingen bezitten, die niet zullen verbeteren, ongeacht hoeveel chemicaliën getest worden of hoeveel dieren gedood.
Met hartverscheurende beelden van babyzeehondjes en bedreigde ijsberen die de advertenties van milieugroepen sieren, zou je denken dat milieubeschermers en dierenbeschermers hand in hand gaan. Maar hoewel de twee bewegingen soms overlappende idealen hebben als het gaat over de bescherming van wilde dieren, is er een fundamenteel verschil in de manier waarop ze reageren op problemen met milieuveiligheid en, het belangrijkste, over de rol die volgens hen is weggelegd voor "wilde" dieren in onze beoordeling van die veiligheid.
In de jaren 1970 en 1980, toen regulerende testprogramma's voor het eerst werden bedacht, geloofde men dat dierproeven de enige manier waren om de chemische giftigheid van stoffen te bepalen. De dierproeven die voor deze programma's gebruikt werden, waren gebaseerd op wetenschappelijke overtuigingen uit de periode 1930-1950. Sinds die tijd heeft er echter een evolutie plaats gevonden in ons inzicht in biologie, en een consequente revolutie in onze mogelijkheden om toxiciteit te bepalen. Hierdoor kunnen volledige in vitro (letterlijk: in een reageerbuis) methoden gebruikt worden voor deze testen.
Deze nieuwe methoden berusten niet op het gebruik van dieren en kunnen meer betrouwbare, herbruikbare en voor mensen relevante informatie opleveren. Desondanks bleven de testprogramma's van overheden berusten op achterhaalde informatie uit het verleden. Het wordt steeds meer en meer onweerlegbaar dat dierproeven informatie leveren die vaak dubbelzinnig is, van betwistbare relevantie voor mensen en moeilijk om te gebruiken om een wet af te dwingen.
Het resultaat is dat er momenteel weinig of geen efficiënte wettelijke voorschriften zijn rond chemicaliën. En dat terwijl er al miljoenen dieren zijn gestorven in testlabo's en de menselijke gezondheid en het milieu in gevaar blijven. Spijtig genoeg veranderen houdingen minder snel dan wetenschap. Sommige milieubeschermers, die terecht bezorgd zijn over potentiële gevaren van giftige chemicaliën, blijven oproepen voor massale testprograma's die nog steeds bestaan uit het vergiftigen van tienduizenden dieren. Maar houdingen veranderen gestaag, en het wordt meer waarschijnlijk dat de moderne wetenschap zal toegepast worden voor regulerende testprogramma's.
De EPA
Decennia van geheimhouding en foute informatie van chemische bedrijven, gekoppeld aan het groeiend besef dat ons milieu al bezoedeld is met honderden verbindingen die onze gezondheid kunnen schaden hebben er, begrijpelijk, toe geleid dat mensen een grote angst en wantrouw hebben ontwikkeld voor chemische bedrijven. Bovendien geloven velen niet dat de overheid in staat is om controle uit te oefenen op deze bedrijven. De EPA (U.S. Environmental Protection Agency), die in de jaren 1970 in de Verenigde Staten werd opgericht, moest dat overweldigend gevoel van onbekende risico's wegnemen. Onder de authoriteit van de Amerikaanse wetgevingen op pesticiden en toxische bestanddelen, kreeg de EPA het brede mandaat om pesticiden te registreren, toe te laten en de gezondheids- en milieueffecten van alle nieuwe en bestaand chemicaliën te evalueren.
Hoewel dit ontegensprekelijk nodig is, was de overtuiging op het ogenblik dat deze programma's van start gingen, dat proeven waarbij dieren vergiftigd worden de enige manier is om dit mandaat uit te voeren. Het resultaat is dat honderdduizenden dieren zijn gestorven voor deze testen. Om een voorbeeld te geven: voor de registratie van één enkele soort pesticide worden een dozijn afzonderlijke dierproeven uitgevoerd, waaronder acute en levenslange studies en de dood van 12.000 honden, knaagdieren, vissen en vogels. Ondanks dit alles worden toxische pesticiden toch nog op ons milieu losgelaten, vaak in hoeveelheden die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid en het milieu.
Door de jaren heen zijn milieubescherminggroepen tot de conclusie gekomen dat de bestaande (Amerikaanse en Europese) wetgevingen niet volstonden om specifieke milieuproblemen aan te pakken. Daaorm riepen ze op voor de creatie van tientallen bijkomende testpogramma's op grote schaal. Al deze programma's zijn gebaseerd op dierproeven en zijn tot nog toe van twijfelachtige waarde gebleken voor milieubescherming.
HPV
Onder invloed van de drukkingsgroep Environmental Defense introduceerde de EPA in 1998 een nieuw programma, het zogenaamde High Production Volume (HPV) Challenge Program. Dit testprogramma moest komaf maken met het gebrek aan gegevens over de veiligheid van bijna 3.000 chemicaliën die geproduceerd of ingevoerd worden in de Verenigde Staten in hoeveelheden groter dan 1 miljoen pond per jaar. Ondanks het feit dat veel van deze chemicaliën al jarenlang veelvuldig gebruikt worden, en de gevolgen voor de gezondheid goed gekend zijn, besloot de EPA dat hun potentiële gevaar voor mensen nog niet voldoende bepaald werd.
Voor het testen van een enkele van de chemicaliën vereiste het HPV-programma zeven verschillende dierproeven. Tot op heden werden meer dan 400 testen gepland en bijna 160.000 dieren werden al gedood of wachten nog op hun dood. Deze testen leverden geen enkele verandering op in beschermingslimieten of toegestande hoeveelheden. Bovendien neemt Environmental Defense de gegevens niet ernstig omdat, zo zeggen zij, EPA niet uitgerust is om de gegevens te gebruiken voor wetgevende beslissingen, en de kwaliteit en de interpretatie van de gevens is inconsequent. Toch gaan het programma, en het doden van dieren, door.
ED SP
De publicatie van Our Stolen Future (onze gestolen toekomst) van Theo Colborn heeft een grote bezorgdheid teweeg gebracht over wijdverspreide hormoonverstorende chemicaliën, en resulteerde in 1998 in een amendement bij de zogeheten FIFRA-wetgeving (die chemicaliën regulariseert in de Verenigde Staten) zodat de EPA chemicaliën moet testen op eustrogeen-gerelateerde effecten op mensen. De EPA breidde dit mandaat uit met twee andere hormonale systemen en de effecten op wilde dieren. Zij ontwikkelden het meest verreikende testpogramma's tot nog toe - het zogeheten Endocrine Disruptor Screening Program (EDSP). Momenteel ziet het ernaar uit dat het eerste deel van dit programma minstens zes dierproeven zal bevatten, die allemaal zeer variabele resultaten opleveren.
Pogingen om deze testen te valideren, zowel door de EPA als door internationale groeperingen, zijn beladen met controversie omwille van deze variabiliteit en vragen over hoe de data zullen gebruikt worden (De EPA gaf geen informatie over hoe ze de gegevens zullen gebruiken). Deze problemen hebben de start van dit programma jarenlang uitgesteld.
REACH
Omdat men bezorgd was dat de huidige programma's niet voldoende over milieuvervuiling gingen, keurde het Europese parlement in december 2006 de REACH-wetgeving goed. REACH staat voor Registratie, Evaluatie, Authorisatie, en Restrictie van Chemicaliën), en vereist de registratie van alle chemische producten die in Europa worden gemaakt of verkocht in hoeveelheden die een ton per jaar overschrijden (zowel oude als nieuwe chemicaliën, in totaal zo'n 30.000).
De registratie van chemicaliën vereist de rangschikking van gegevens van dierproeven gelijkaardig aan die hierboven beschreven werden voor de registratie van pesticiden. Vanuit dierenwelzijnstandpunt is deze wetgeving verschrikkelijk, al heeft het ook enkele goede effecten. Ten eerste vereist REACH dat de industrie haar gegevens deelt om het aantal overbodige testen te minimaliseren. Ten tweede, de wetgeving vereist dat het Europese agentschap dat verantwoordelijk is voor de administratie van het programma en de Europese Commissie zelf, de mogelijkheden verkennen en een strategie ontwikkelen voor het gebruik van alternatieve methoden.
Tot slot, aangezien dierproeven op de schaal die door REACH wordt voorgesteld buitengewoon duur en tijdrovend is, werd er een economische aanmoediging gecreeërd voor de industrie en regeringen om goedkopere, snellere methoden zonder dieren te ontwikkelen.
Een nieuw testmodel
Het is alom bekend dat giftigheidstesten die gebruik maken van dieren een reeks ernstige tekortkomingen bezitten, die niet zullen verbeteren, ongeacht hoeveel chemicaliën getest worden of hoeveel dieren gedood. Wetenschappen, regulatoren en wetgevers beseffen dat er een nieuw paradigma nodig is. Sociale bezorgheden om dierenwelzijn in Europa hebben wetten gecreeërd die alternatieve methoden vereisen en die geholpen hebben om de Cosmetics Directive te ontwikkelen. Deze bant de verkoop van cosmetische producten die getest zijn op dieren voor de meeste testgebieden in 2009. De Cosmetics Directive en REACH hebben logistieke en financiële stimuli gecreëerd voor bedrijven en regeringen om alternatieve methoden te ontwikkelen.
In de Verenigde Staten richtte de EPA zich naar de National Academy of Sciences om de huidige stand in de technologie te bekijken en een efficiënt testmodel te maken. Het resultaat wordt beschreven in het rapport dat in juni 2007 gepubliceerd werd; "Toxicity Testing in the Twenty-First Century: A Vision and a Strategy" (Giftigheidstesten in de 21ste eeuw: een visie en een strategie, zie kaderstukje). In dit rapport wordt een paradigma beschreven dat gebaseerd is op een eerste screening waarbij geen dierlijke methoden worden gebruikt, en beschrijft een toekomst waarin dierproeven geleidelijk aan vervangen worden door alternatieven totdat er totaal geen dieren meer gebruikt worden in giftigheidstesten. Naar aanleiding van het rapport hebben de EPA en het National Institutes of Health (Het Nationale Gezondheidsinstituut) een overeenkomst gesloten om niet-dierlijke methoden te ontwikkelen. Nu is het nog wachten tot deze visie geïmplementeerd wordt door het Congres en de regulerende agentschappen.
Voorzichtig optimisme voor de toekomst
Langzaam maar zeker veranderen de houdingen ten op zichte van dierproeven. Een aantal niet-dierlijke methoden werden en worden nog steeds gevalideerd voor regulerend gebruik, en kunnen en zouden geïntegreerd moeten worden in de EDSP, REACH, en eender welk toekomstig testprogramma. We blijven werken naar de dag dat toxiciteitstesten volledig vrij zijn van dierenleed, en dat de vermoede veiligheid van de ene soort niet langer berust op het vergiftigen van anderen.
Een oproep voor alternatieven om het milieu te beschermenIn 2007 gaf de National Research Council (NRC) , op vraag van de Environmental Protection Agency, een rapport uit getiteld "Toxicity Testing in the Twenty-First Century: A vision and a Strategy", dat pleit voor het gebruik van niet-dierlijke in vitro testmethoden. De NRC is verbonden met de National Academy of Sciences, een agentschap dat het Amerikaanse Congres adviseert over wetenschappelijke zaken, dus het belang van dit rapport mag niet onderschat worden.
Onbevooroordeeld in haar opzet, stelt het rapport dat "dierlijke toxiciteitstesten veel tijd en middelen vereisen" en dat ze niet altijd bruikbaar zijn om menselijke reactie te voorspellen. Verder trekt het rapport ook het toedienen van grote hoeveelheden chemicaliën aan dieren in twijfel, aangezien mensen normaal gesproken aan veel kleinere concentraties worden blootgesteld. Het rapport stelt voor om menselijke cellen als alternatief te gebruiken in hoge-omzet onderzoeken, waarmee duizenden chemicaliën in verschillende concentraties zouden kunnen getest worden.
Misschien wel het belangrijkste: het rapport erkent ook dat in vitro testen het potentieel hebben om een grote vooruitgang te brengen op het gebied van giftigheidstesten: "Vooruitgang in toxicologie, bioinformatica, systeembiologie, epigenetica en berekeningstoxicologie zou kunnen veranderen van een systeem gebaseerd op het testen van hele dieren naar een test die gebaseerd is op in vitro methoden die de veranderingen in biologische processen evalueren door het gebruik van cellen, cellijnen, of cellulaire componenten, bij voorkeur van menselijke origine."
Het is te hopen dat veel van de suggesties die in het NRC-rapport worden voorgesteld, zullen toegepast worden in toekomstige beleidsmaatregelen tussen de industrie en de agentschappen in de Verenigde Staten.
Dit is een vertaald artikel van AAVS (American Anti-Vivisection Society) uit AV-magazine winter 2009- Volume CXVII, Number 1, pg 6-9



