Wetenschappelijke informatiedatabase tegen het gebruik van dierproeven

Waarom zijn dierproeven een gevaar voor de menselijke gezondheid?

Zoals verderop in dit dossier uitgebreid wordt weergegeven, vormen dierproeven een potentieel gevaar voor mensen. Mensen zijn inderdaad dieren, maar een dier (zoals een muis bijvoorbeeld), is geen mens. Wanneer artsen of wetenschappers dierproeven opzetten, kiezen ze een dier uit dat de grootste kans geeft op een positief resultaat. Dat is echter geen garantie. Ook kunnen de benodigde financiële middelen bepalend zijn voor de keuze van een diersoort.

Wil men chimpansees gebruiken, dan brengt dat hoge verzorgingskosten met zich mee. Men gebruikt dit dier omdat het volgens dierproefnemers zo op ons zou lijken. Er zijn inderdaad genetische overeenkomsten, maar ook verschillen.

In dit dossier zetten we uiteen dat deze verschillen van groot belang zijn. De resultaten van een dierproef kunnen hierdoor een verkeerd beeld opleveren dat een medicijn of de ontwikkeling van behandelmethoden kan blokkeren of enorm vertragen (terwijl ze mogelijk wel werken bij de mens). Deze resultaten kunnen ook voor de mens gevaarlijke medicatie toelaten of valse hoop geven aan mensen indien succesvolle resultaten geboekt werden bij dierproeven, maar uiteindelijk niet bij de mens.

De verschillen
Wist u dat ook proeven bij mensen een verkeerd beeld kunnen geven? Wij mensen reageren ook niet allemaal gelijk op bepaalde stoffen. Zo kunnen stoffen en medicatie anders reageren bij verschillende leeftijdsgroepen, rassen, geslachten, zelfs de geografische afkomst (regioverschillen) kan meespelen.

Ook met de levensstijl moet rekening gehouden worden. De ene persoon sport wel, de andere niet. De ene eet vlees of zuivel, maar er zijn ook mensen die dat niet doen. Er kunnen producten geconsumeerd worden met toegevoegde (chemische) stoffen en producten kunnen door vervuiling bepaalde stoffen bevatten. Denk bijvoorbeeld aan zware metalen in gevangen vis.

Kortom: zelfs bij één diersoort kampen we al met ontelbare verschillen en factoren die van invloed zijn op een eventuele reactie. Hoe groot kan het verschil in reactie dan wel niet zijn als men twee diersoorten naast elkaar legt? Het antwoord is: enorm groot.

Uiteraard kunnen er zich situaties voordoen waarin dierproeven ongeveer dezelfde positieve resultaten opleveren als bij mensen, maar betekent dit onmiddellijk dat de dierproef 'correct' is? Of ligt het meer aan het toeval? Men kan immers niet spreken over een één-op-één situatie. Een dier kan men nooit direct vergelijken met een mens, dus kan men ook de bekomen data niet extrapoleren naar mensen toe.

Er zijn voorbeelden van dierproeven waarbij:

  • inderdaad hetzelfde effect in een diersoort te zien is als in de mens
  • het effect in de diersoort wel aanwezig is, maar niet bij de mens
  • de stof bij een dier als veilig bevonden werd, maar bij de mens enorm leed veroorzaakt
  • bij een dier geen resultaat geboekt wordt waardoor men niet bij mensen probeert (wat mogelijk wel had kunnen werken)
  • bij een dier een enorm slechte reactie ontstaat, waardoor het niet geprobeerd wordt bij mensen (terwijl het wellicht bij de mens wel had kunnen werken en veilig had kunnen zijn)

Kortom: met dierproeven kan men alle kanten uit. Het is dus een enorm onzeker middel in medisch en wetenschappelijk onderzoek.

Dierproeven belemmeren wetenschap
Daarom ziet mene bijvoorbeeld ook dat  slechts 1 op de 20 kankerbehandelmethoden op de markt komt en dat daarvan uiteindelijk maar 1/5 efficiënt blijkt. [1]

Ook de FDA (autoriteit van de VS die medicatie keurt) geeft aan dat 92% van de medicatie de markt niet bereikt, doordat het faalt in de human trials vanwege veiligheid en/of gebrek aan efficiëntie. [2]

In mei 2006 verscheen een onafhankelijk rapport genaamd 'Testing Treatment on Animals: Relevance to Humans' [3], geschreven door professor Ian Roberts (London School of Hygiene and Tropical Medicine). Negen onafhankelijke wetenschappers bekeken zes medische behandelingen nader door de menselijke data te vergelijken met resultaten van dierproeven (in totaal zijn er voor die behandelmethoden 7100 dieren gebruikt). In 75% van de gevallen werd de kwaliteit van de dierproefresultaten hevig bekritiseerd en in de helft van de studies faalden de dierproeven in het voorspellen van het effect in mensen. Corticosteroïden gaven bijvoorbeeld geen resultaat in klinische trials voor behandeling van hoofdwonden, maar toonden wel voordeel aan bij het diermodel. [3]

Een andere studie ("Multicenter Evaluation of In Vitro Cytotoxicity") bestudeerde de resultaten van proeven op muizen en ratten. Het ging om proeven voor onderzoek naar wat de dodelijke dosis is van 50 chemicaliën en dat werd vergeleken met de menselijke reactie. De conclusie was dat in het beste geval 65% voorspelbaarheid van de menselijke reactie werd gegeven. In de meeste gevallen zou je dus meer zekerheid krijgen via het opgooien van een muntje. [4]

In 1986 bestudeerde de FDA (VS) 281 gevallen van blootstelling van het menselijk oog aan 14 huishoudelijke middelen. De resultaten vergeleken ze met bestaande gegevens van deze middelen uit oogirritatietesten met konijnen. De correlatie tussen de reactie op de konijnenogen en die van de mens was kleiner dan 50 procent. [5]

Ook kankertesten falen enorm. Zoals Dr. Richard Klausner, voormalig directeur van het National Cancer Institute (VS), zei: "De geschiedenis van kankeronderzoek is de geschiedenis van het genezen van kanker in muizen. Decennialang hebben we muizen van kanker genezen, maar het werkt gewoon niet in mensen."[6][7]

Dr. Bruce Ames, Directeur van het National Institute of Environmental Health Sciences Center van de universiteit van Californië zei: "392 chemicaliën in onze database werden getest op ratten en muizen. 226 chemicaliën bleken zowel bij muizen als ratten kankerverwekkend. 96 waren of kankerverwekkend in de muis of in de rat." Dr. Ames zegt ook dat menselijke carcinogeniciteit mogelijk niet gedetecteerd wordt in standaard onderzoek met knaagdieren, omdat dat ook het geval was met bijvoorbeeld roken. [8]

Hiermee zie je ook wederom dat tussen muis en rat al een heel verschil kan zitten. En dat deze onderzoeker ook toegeeft dat die resultaten eigenlijk niets zeggen over hoe het bij de mens zit.

Ook voorspellen of stoffen of medicatie teratogeen (zorgen voor geboorteafwijkingen) zijn, blijft een gok met dierproeven. Een publicatie waarin dit onderzocht werd, door vergelijkingen te maken tussen allerlei resultaten van testen, kwam tot de conclusie dat er een hoop variatie zit in de resultaten tussen andere diersoorten en de mens. En dat de in vitro methoden betere resultaten gaven. De algehele conclusie is dan ook dat voor dit onderzoek in vitro methoden de toekomst zijn. Ook lag de voorspelling van de dierproeven gemiddeld rond de 50%. [9]

Tijd voor een andere weg
Het is tijd voor het inslaan van een andere weg. Dierproeven falen en zijn gevaarlijk. Ook belemmeren ze ons inziens de vooruitgang richting oplossingen voor mensen. Er zijn andere benaderingen om onderzoek te doen, van in vitro methoden tot computermodellen. Ook valt er veel terrein te winnen met het voorkomen van ziekten. Epidemiologisch onderzoek kan daarin perfect blootleggen waar de verbanden liggen, zodat mensen hun leefwijze, dieet e.d. kunnen aanpassen ter voorkoming van bepaalde ziekten.

Zie ook 'Een andere benadering'


[1] Gardiner Harris, “New Drug Points Up Problems in Developing Cancer Cures,” The New York Times 21-12-2005.
[2] US FDA: Report on Challenge and Opportunity on the Critical Path to New Medical Products, March 2004
[3] Comparison of treatment effects between animal experiments and clinical trials: systematic review
[4] The MEIC Program 2005
[5] Test Method Validation, CruelScience.ca, 2004
[6]Andrew C. von Eschenbach, “The Nation’s Investment in Cancer Research: A Plan and Budget Proposal for FY 2006,” National Cancer Institute, October 2004
[7] Jerome Burne, “Danger Mouse,” The Times [U.K.] 30 July 2002
[8] Bruce N. Ames, Renae Magaw, Lois Swirsky Gold, “Ranking Possible Carcinogenic Hazards,” Science 236 (1987), p. 275.
[9] The future of teratology research is in vitro,  Bailey, Jarrod; Knight, Andrew; Balcombe, Jonathan, Biogenic Amines, Volume 19, Number 2, 2005 , pp. 97-145(49)