Waarom experimenten op dieren moeten stoppen (Dr.Vernon Coleman)
Ik heb me al vele jaren verzet tegen vivisectie. Niet alleen omdat het ongeloofelijk barbaars en wreed is, maar ook omdat het waardeloos, overbodig, inaccuraat, informatieloos en gevaarlijk misleidend is. De wreedheid is onverdedigbaar en een belediging voor de menselijke waardigheid. Zoals de meeste moderne antivivisectionisten verkies ik tegen vivisectie te argumenteren op wetenschappelijke en medische gronden. Maar de morele en ethische gronden zijn ook belangrijk en zouden niet vergeten moeten worden.
Om hun vreselijke praktijken te verdedigen trachten proefdieronderzoekers heel vaak de waarheid te verdraaien. Enkele van de meest voorkomende onwaarheden worden hierna weergegeven.
1. De proefdieren zouden op gepaste wijze verdoofd worden tijdens pijnlijke en ongemakkelijke experimenten.
De praktijk toont aan dat dit niet het geval is. Ongeveer 75% van alle experimenten op dieren worden zonder anesthesie uitgevoerd en recente cijfers laten een stijging van het aantal experimenten zien. Zo kwam een Brits regeringsonderzoek onlangs tot de bevinding dat tijdens een periode van 12 maanden het aantal experimenten zonder verdoving op bavianen met 11% gestegen was, met 20% bij konijnen met 20% en met 15% bij beagles.
Zelfs wanneer anesthesie gebruikt wordt, laat de beschikbare informatie zien dat de verdoving vaak inadequaat is. Het is zeldzaam dat een proefdieronderzoeker over een getrainde anesthesist beschikt tijdens een procedure en veel onderzoekers die een licentie hebben voor het uitvoeren van dierproeven weten niet hoe een verdoving moet worden uitgevoerd. Anesthesie is een complexe, gesofisticeerde specialiteit die jarenlange studies vergt alvorens men haar goed kan beheersen. Door onwetendheid worden vele dieren wel geparalyseerd, maar niet verdoofd zodat ze niet meer kunnen bewegen of schreeuwen, maar wel nog pijn kunnen voelen. Aan andere dieren wordt simpelweg een inadequate hoeveelheid anesthesie gegeven.
Het verhaal van Wilhelm Feldberg, een onderzoeker aan het Nationaal Instituut voor Medisch Onderzoek in Londen helpt de mythe te ontkrachten als zouden dieren steeds verdoofd worden.
Feldberg studeerde aan de befaamde geneeskundefaculteit van de universiteit van Heidelberg en werd in 1949 tot hoofd benoemd van het Departement voor Fysiologie en Farmacologie van het Nationale Instituut voor Medisch Onderzoek.
Feldberg kon zich beroepen op een indrukwekkend curriculum vitae dat bol stond van kwalificaties en academische prestaties. Hij was een gekwalificeerde arts, lid van de Britse Royal Society en de Royal College of Physicians en “Commander of the British Empire”. Veel van zijn werk werd mogelijk gemaakt door de financiële steun van de Raad voor Medisch Onderzoek.
Een typische wetenschappelijke tekst werd in 1978 gepubliceerd in het Britse Journal of Pharmacology nadat Feldberg en een collega een reeks experimenten had uitgevoerd op katten.
Om te beginnen plantten de onderzoekers een tube in de hersenen van de katten. Wanneer de katten uit hun verdoving kwamen, werd een mosterdgif rechtstreeks via de tube in hun hersenen geïnjecteerd. Het was niet moeilijk zich voor te stellen wat er vervolgens gebeurde. Een citaat uit de tekst van Feldberg en zijn collega beschrijft de reactie bij de katten.
Een à twee minuten na deze injecties begonnen de katten te trillen. Eerst zachtjes en weldra heel sterk en over hun hele lichaam. Het volgende effect was vocalisatie. Het begon met periodes van miauwen die frequenter en van langere duur werden en geleidelijk aan veranderde het miauwen in grommen en huilen. Daarna werden tachypnoea (snel ademen), hijgen, kwijlen, piloerectie (rechtop staande haren) en flapperende oren geobserveerd. Vervolgens waren er periodes van intense opwinding afgewisseld met rustigere momenten. Tijdens de periodes van opwinding sprong de kat plots blindelings naar voren of naar boven tegen de wanden van de kooi met wijd opengesperde ogen. De katten vertoonden compulsief bijtgedrag; er moest vermeden worden dat ze door de leiding van een rectale verbinding beten (een thermometer was vastgebonden in het rectum van de katten) door ze een potlood te geven waarop ze konden bijten en waar ze eventueel doorheen knauwden.
Als tieners deze experimenten uitgevoerd zouden hebben met zwerfkatten, dan zouden ze opgesloten worden. Feldberg, die ontdekt had dat een levende, niet verdoofde kat in wiens hersenen men mosterd giet begint te hijgen, kwijlen, springen, huilen en alles dat binnen bereik is probeert kapot te bijten, kreeg echter financiële steun om variaties op hetzelfde experiment uit te voeren en erover te schrijven in gerespecteerde wetenschappelijke tijdschriften.
Bijvoorbeeld: in 1983 publiceerde Feldberg een wetenschappelijke tekst met de titel “Hyperglycaemia, een morfineachtig effect van naloxone bij katten”.
Om deze tekst te kunnen schrijven startte Feldberg met het plaatsen van tubes in de hersenen van levende katten. Opnieuw ontdekte hij dat als men een stof in de hersenen van een kat injecteert die leeft en bij volle bewustzijn is, die kat fysiek in de war geraakt. Feldberg schreef dat zijn katten beefden, miauwden, hijgden, kwijlden, braakten en de controle verloren over hun blaas en maag.
Ongeveer dertig jaar lang voerde Feldberg gelijkaardige experimenten uit waarbij hij een verscheidenheid van chemicalieën injecteerde in de hersenen van levende, niet verdoofde katten. Hij schreef talrijke wetenschappelijke teksten en werd een de meest gelauwerde wetenschappers in het Verenigde Koninkrijk.
Feldberg werkte veel met katten, maar het waren zijn experimenten op konijnen die zijn afgang bewerkstelligden in de zomer van 1990, vier maanden nadat hem de prestigieuze “Wellcome Gold Medal in Pharmacology” van de Britse Pharmacology Society was verleend.
Net vóór Kerstmis 1989 overtuigden na lang aandringen twee undercover onderzoekers Feldberg om hen toe te staan hem te filmen en te fotograferen tijdens zijn werk. Gevleid door de aandacht voor hem (een van de onderzoekers was een gewezen fotomodel) stemde Feldberg toe.
De film van de onderzoekers leidde ertoe dat tegen de 89-jarige Feldberg een onderzoek werd geopend door de Raad voor Medisch Onderzoek. Het gepubliceerde rapport van het onderzoek meldt dat volgens de Raad voor Medisch Onderzoek Feldberg naliet te verzekeren dat vier van de gebruikte konijnen voldoende verdoofd werden tijdens experimenten aan het Nationaal Instituut voor Medisch Onderzoek in Londen. Het rapport beschreef het mogelijk voordeel van Feldbergs werk als “verwaarloosbaar” en gaf toe dat “het woord ‘wreedaardig’ niet ongepast was voor (Feldbergs) methodolgie”. De Raad besloot dat “een aantal dieren stierven voor een niet te onderscheiden voordeel” en bekritiseerde de Britse overheid omdat zij “er niet in geslaagd was een afweging te maken van het waarschijnlijke voordeel van het onderzoek tegen het waarschijnlijke nadeel voor de betrokken dieren”.
Feldberg had enigszins pech. Het valt te betwijfelen dat hij de enige wetenschapper in het Verenigde Koninkrijk was die geen afdoende anesthesie toepaste op proefdieren. Zeker is dat hij niet de enige wetenschapper was die onderzoek verrichtte waarvan de waarde verwaarloosbaar was.
Uit deze gevalstudie blijkt duidelijk dat het onjuist is om te zeggen dat proefdieren zonder uitzondering en op afdoende wijze verdoofd worden. De realiteit is dat de meeste dieren helemaal niet verdoofd worden. Zelfs wanneer een anesthesie wordt gebruikt zijn de kansen groot dat ze inadequaat zal zijn.
2. De meerderheid van de wetenschappers zou alleen muizen en ratten gebruiken en de meeste tegenstanders van dierproeven verzetten zich tegen de proeven omdat ze denken dat er honden en katten bij betrokken zijn.
Met deze argumenten van proefdieronderzoekers en hun aanhangers wordt het publiek op twee manieren misleid.
Ten eerste impliceren de bovenstaande beweringen dat muizen en ratten niet belangrijk zijn. Dit is natuurlijk niet waar. De overgrote meerderheid van degenen die dierproeven afkeuren verzetten zich tegen alle dierproeven, ongeacht of het om katten, schapen, muizen, honden, varkens of kikkers gaat.
Ten tweede doet de bovenstaande uitspraak vermoeden dat katten, honden en apen zelden als proefdier gebruikt worden, wat niet met de realiteit overeenstemt. Primaten zijn populair omdat het makelijker voor een wetenschapper is om te beweren dat op apen verrichte experimenten relevant zijn voor mensen. Dit kan moeilijker gezegd worden over experimenten op muizen en ratten. Konijnen zijn populair omdat hun grote ogen gepaste testvelden vormen voor nieuw ontwikkelde chemicalieën.
Britse onderzoekers gebruiken jaarlijks ongeveer 13.000 honden en houden in het bijzonder van beagles omdat ze zachtaardig, intelligent en niet wantrouwig zijn. Onderzoekers stellen het op prijs dat het vertrouwen van beagles makkelijk gewonnen kan worden.
Wereldwijd worden regelmatig experimenten uitgevoerd op dieren zo klein als hamsters en muizen of zo groot als varkens, schapen en paarden. Sommige dieren worden speciaal gekweekt voor laboratoria. Andere worden in vaak schimmige omstandigheden verkregen. Groot of klein, jong of oud, tam of wild, dieren worden gefolterd, bekeken en dan vermoord.
3. Onderzoekers beweren dat de dieren die ze gebruiken goed verzorgd worden. Volgens hen zijn alle onderzoekers heel erg begaan met de door hen gebruikte dieren en behandelen zij ze voor, tijdens en na de experimenten met zorgzaamheid en respect.
Jammer genoeg is al heel wat keren gebleken dat dit niet per definitie zo is.
Een voorbeeld is het geval van de prominente Amerikaanse psycholoog Dr. Edward Taub die jarenlang experimenten uitvoerde op apen waarbij de zenuwen die hun armen controleerden beschadigd werden. Het vermeende doel van het onderzoek was het vinden van informatie die slachtoffers van infarcten kon helpen.
Dankzij de inzet van de undercover onderzoeker Alexander Pacheco werd Taubs werkwijze onder de aandacht van het publiek gebracht. Pacheco’s verslag vermeldde dat hij een dier door honger zag bezwijken en dat er bevelen werden gegeven om de apen te kwellen en te frustreren terwijl ze vaak vastgebonden waren in een soort gekruisigde houding met blinddoeken om en hun hoofden onbewegelijk gemaakt. Beenderen werden gebroken en sommige apen waren zo van streek gebracht dat ze blijkbaar hun eigen vingers hadden afgebeten. De kooien waarin de apen vastgehouden werden waren volgens het rapport roestig en heel vuil.
Nadat hij foto´s van de apen gemaakt had, startte Pacheco een rechtzaak tegen Taub op basis van 17 verschillende aanklachten wegens weedheid, een aanklacht voor elke van de 17 apen die bij de experimenten betrokken waren. Tijdens de politieraids die in het kader van het gerechtelijk onderzoek werden uitgevoerd, vonden inspecteurs vuilnisbakken gevuld met de verwonde lichamen van apen.
Het eerste vonnis veroordeelde Taub tot een boete van 3000 $ voor het nalaten om zes apen de nodige medische bijstand te verlenen, hoewel ze daar dringend nood aan hadden. De National Institute of Health schrapte een aanzienlijke beurs voor Taubs laboratorium. Niettemin slaagde Taub erin om de veroordelingen te laten herroepen. Een volgende rechter beschouwde immers fysieke schade en leed als subjectieve en dus ontoelaatbare gronden voor een veroordeling. Een andere rechtbank vernietigde het oorspronkelijke vonnis omdat ze de regionale wetgeving ter bestrijding van wreedheid jegens dieren niet van toepassing achtte op een onderzoeksproject dat door de federale overheid betaald werd. Nog een andere rechtbank kwam tot het besluit dat menselijke wezens geen wettelijke basis hadden om zich burgerlijke partij te stellen ten voordele van apen. En Taub riep zich tenslotte uit tot martelaar van de wetenschap.
Taub is niet de enige onderzoeker die beschuldigd is voor de mishandeling van laboratoriumdieren.
In een experiment door onderzoekers in Pennsylvania werden de hoofden van bavianen heel hard tegen een wand geramd d.m.v. een pneumatische hamer. Met deze methode wilde men de effecten van hoofdwonden bestuderen. De dieren werden verondersteld verdoofd te worden tijdens de experimenten, maar nadien kloeg het United States Department of Agriculture de Universiteit van Pennsylvania aan wegens meer dan twintig schendingen van de dierenwelzijnswetgeving. De onderzoekers werden er o.a. van beschuldigd zich vrolijk te hebben gemaakt over de wijze waarop de bavianen met beschadigde hersenen bewogen nadat ze verwond waren.
In Londen werd de Royal College of Surgeons schuldig bevonden voor het toebrengen van onnodig leed aan laboratoriumapen en werd ze beboet nadat de Britse organisatie voor de afschaffing van vivisectie een vordering had ingesteld op basis van bewijsmateriaal waar ze de hand op had kunnen leggen tijdens een inval in het onderzoekscentrum van het College. Een tien jaren oude aap lag tijdens de inval bezweken en uitgedroogd op de bodem van haar kleine cel. Niettemin werd een eerste vonnis ten nadele van het College in een later stadium herroepen.
In de meeste landen kunnen onderzoekers gewoonlijk een vervolging vermijden door hun laboratoria gesloten te houden en door te beweren dat alles wat ze doen in het kader van een experiment past (zelfs de meest ongelofelijke wreedheid kan legaal verklaard worden indien de onderzoeker opwerpt dat het leed deel uitmaakt van een experiment).
En al wanneer pogingen ondernomen werden om wetgeving ter bescherming van laboratoriumdieren te introduceren, dan waren er tergende vertragingen. Bijvoorbeeld: vijfentwintig jaar nadat een wet was goedgekeurd om het gebruik van dieren in Amerikaanse onderzoekslaboratoria te controleren en vier jaar nadat het Amerikaanse Congres extra bepalingen toegevoegd had, had het Department of Agriculture nog maar twee van de drie verwachte rapporten gepubliceerd om de uitvoering van de wetgeving te preciseren. De bedoeling van de wetgeving was om te verzekeren dat onderzoekers zorg zouden dragen voor het mentale en fysieke welzijn van de dieren onder hun hoede. Ondertussen werd in een recent overzicht van officiële verslagen van het US Department of Agriculture getoond dat dieren misbruikt of verwaarloosd worden in meer dan vier van elke vijf onderzoeksinstellingen in de Verenigde Staten.
4. Veel aanhangers van vivisectie beweren dat experimenten op dieren door de wetgeving vereist zijn voor alle geneesmiddelen, cosmetica en andere chemische producten. Sommige woordvoerders zeggen dat ze niet graag experimenten op dieren doen, maar dat ze geen alternatief hebben om de wet te respecteren.
De realiteit is dat de betrokken wetgeving oplegt dat producten die aan consumenten verkocht worden geen schade aan de gezondheid mogen toebrengen bij een normaal gebruik.
Het succes van bedrijven die hun producten of ingrediënten nooit op dieren testen, toont aan dat het perfect mogelijk is om bijvoorbeeld veilige cosmetica te maken en te verkopen die vrij van op dieren geteste ingrediënten zijn.
Volgens mij is het uit vrije wil dat sommige bedrijven op dieren geteste producten of producten met op dieren geteste ingrediënten verkopen, omdat ze menen dat het gebruik van proefdieren goedkoper is of gemakkelijker dan alternatieven.
5. Ze zeggen dat alle wetenschappers hun goedkeuring verlenen aan experimenten op dieren, dat deze experimenten een bijna eindeloze variëteit aan waardevolle informatie heeft opgeleverd en dat heel wat Nobelprijswinnaars op dieren experimenteerden in het kader van hun gelauwerde werk.
De eerste bewering, nl. dat alle wetenschappers hun goedkeuring verlenen aan experimenten op dieren wordt weerlegd door het bestaan van de Internationale Liga voor de Afschaffing van Vivisectie (LIMAV). Deze Liga groepeert een zeshonderdtal wetenschappers uit de medische sector in bijna dertig landen die allen gekant zijn tegen proeven op dieren en die geloven dat experimenten op dieren geen enkele waarde hebben.
De tweede bewering, nl. dat experimenten op dieren een eindeloze variëteit aan waardevolle informatie hebben geproduceerd, lijkt gebaseerd te zijn op een onzekere these.
Het is zonder twijfel waar dat er vele proeven op dieren zijn uitgevoerd en dat wetenschappers door de jaren heen veel waardevolle informatie hebben gevonden. Maar hoewel er een oppervlakkig verband zou kunnen bestaan tussen deze twee waarheden, is er geen diepgaand, fundamenteel verband tussen beiden.
Een detailstudie van de wetenschappelijke en medische ontwikkelingen tijdens de laatste twee eeuwen toont duidelijk aan dat experimenten op dieren vooruitgang belemmerd hebben en heel wat meer problemen veroorzaakt dan opgelost hebben.
Tenslotte is er de laatste bewering, nl. dat heel wat wetenschappers die proeven op dieren hebben uitgevoerd Nobelprijzen hebben gewonnen en dat deze proeven daarom waardevol moeten zijn. De realiteit is echter dat de wetenschappelijke wereld decennialang dierproeven als essentieel heeft beschouwd en zij de wetenschappers die deze veronderstelling niet aanhingen uitgesloten heeft van enige mogelijkheid om zulke prijzen te winnen.
6. Voorstanders van dierproeven zeggen dat dieren niet lijden omdat ze geen pijn kunnen voelen en van geen emotionele reacties kunnen genieten of afzien.
Onderzoekers met weinig en een vaag begrip van medelijden zullen waarschijnlijk denken dat dit waar is.
Dieren kunnen echter wel lijden.
De voorwaarden voor pijn zijn een centraal zenuwstelsel, een systeem van perifere receptoren en een reeks van neurale verbanden tussen de receptoren en het centrale zenuwstelsel. Alle gewervelde dieren bezitten deze drie essentiële elementen en kunnen ongetwijfeld pijn gewaarworden. Iedere persoon die hieraan twijfelt hoeft maar een hond of kat te slaan en te zien wat er gebeurt.
Het argument als zouden dieren geen pijn kunnen voelen is zo absurd dat men zich kan afvragen waarom iemand zou willen geloven dat het waar is.
Evenzo kan er weinig twijfel aan bestaan dat de dieren waarop in laboratoria geëxperimenteerd wordt inderdaad lijden aan een grote hoeveelheid emotionele en psychologische stress. Tijdens de afgelopen jaren is er heel wat onderzoek verricht waaruit blijkt hoe complex en gesofisticeerd het sociale gedrag kan zijn van apen, katten en honden. Waarnemers die dieren bestudeerd hebben, weten dat angst een van de drijvende krachten is die elke soort bezit en die aanwezig zijn als middelen van zelfverdediging. Zo lijden ook alle dieren die gebruikt worden bij experimenten aan spanningen tengevolge van verveling en frustraties wanneer ze alleen in kleine kooitjes voor lange periodes gehouden worden.
7. Voorstanders van dierproeven beschuldigen de tegenstanders ervan meer om dieren dan om mensen te geven.
In werkelijkheid heb ik nooit een toegewijd lid van de antivivisectiegemeenschap ontmoet die niet ook een toegewijde activist voor mensenrechten was. De meeste leidinggevende leden van de antivivisectiebeweging hebben ook duidelijk hun protest laten horen bij onrecht, vooroordelen en wreedheid tegen mensen.
Ik heb regelmatig het verwijt gekregen als zou ik enkel om dieren bezorgd zijn. Nochtans heb ik het grootste deel van mijn leven geijverd voor meer rechtvaardigheid en betere rechten en omstandigheden voor menselijke patiënten. Ik geloof dat de levens en de welvaart van alle wezens (incl. mensen) nauw en onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het is nonsens te beweren dat degenen die om dieren bezorgd zijn niets om mensen geven.
Om een voorbeeld te geven kan ik verwijzen naar de achttien jaren tijdens dewelke ik campagne gevoerd heb tegen het overmatig voorschrijven van kalmeer- en slaapmiddelen. Toen de overheid in het Verenigde Koninkrijk tenslotte in actie schoot, gaf men bij het ministerie van Gezondheid en Sociale Zekerheid toe dat mijn artikels geholpen hadden bij het overtuigen van de autoriteiten.
8. Voorstanders van dierproeven beshuldigen ons ervan emotionele argumenten te gebruiken om hun gelijk te halen.
Dit is volgens mij een geval van de pot die de ketel verwijt zwart te zijn. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst een ersnstige tegenstander van vivisectie een emotioneel argument heb horen gebruiken om zijn of haar zaak te onderbouwen. We hoeven geen emotionele argumenten te gebruiken en we willen geen emotionele argumenten gebruiken. Tegenstanders van experimenten op dieren weten dat hun campagne het effectiefst is wanneer ze gebaseerd is op wetenschappelijke argumenten.
Jammer genoeg zijn het echter onze tegenstrevers die niet op basis van wetenschappelijke gronden willen argumenteren. Zij zijn het die erop staan om emotionele argumenten te gebruiken.
Telkens programma's over vivisectie op televisie of radio uitgezonden worden, brengen de voorstanders van vivisectie doorgaans patiënten met zich mee die aan een of andere ziekte lijden. Vanzelfsprekend zijn de patiënten dankbaar voor de behandeling die ze hebben ontvangen en willen ze toegeven dat dierproeven aanvaard moeten worden wil men mensenlevens redden. Dit is morele afpersing.
Wanneer voorstanders van vivisectie met journalisten spreken of in tijdschriften schrijven, dan maken ze vaak gebruik van het beeld van patiënten die aan leukemie, diabetes of een andere gevaarlijke ziekte lijden. Soms voegen ze daar zelfs foto's van individuele patiënten aan toe.
“Het is dit kind of een laboratoriumrat”, vertellen ze. Ze steunen op een rauwe vorm van emotionele afpersing om hun gelijk te halen.
De veronderstelling is altijd dat de levens van patiënten gered werden d.m.v. experimenten op dieren. De voorstanders van vivisectie gebruiken angst en bezorgdheid om hun argument naar voren te brengen. Ze weten dat ze met een wetenschappelijk argument niet kunnen winnen en daarom gebruiken ze emotionele argumenten.
9. De instellingen waar dieren gehouden en aan experimenten onderworpen worden, zouden regelmatig onderzocht worden door ervaren, neutrale inspecteurs die ervoor zorgen dat de dieren goed behandeld zouden worden.
Maar in het Verenigde Koninkrijk, een van de best gereglementeerde landen, zijn er 20.000 onderzoekers met een toelating om dierproeven uit te voeren en ongeveer 20 inspecteurs.
Dit betekent dat indien elke inspecteur op elke dag van het jaar een nieuwe wetenschapper bezoekt zonder een dag vrijaf te nemen, ook niet in de weekeindes, dat dan alle wetenschappers in het Verenigde Koninkrijk maar eens om de drie jaren bezocht zouden worden.
Hoe goed de inspecteurs ook mogen zijn, het is niet voldoende om te garanderen dat de dieren goed behandeld worden en dat de regels nageleefd worden. Recente gegevens laten zien dat enerzijds het aantal schendingen in een periode van twaalf maanden met 111 procent gestegen waren, terwijl anderzijds het aantal bezoeken door inspecteurs met 8 procent gedaald was.
10. Voorstanders van dierproeven zeggen dat de Nazi's tegen dierproeven waren. Hieruit wordt afgeleid dat iedereen die tegen experimenten op dieren is, op een of andere manier vergelijkbaar is met de Nazi's.
Ik ben vaak een Nazi genoemd omdat ik tegen dierproeven ben. De realiteit is dat Nazi-artsen de meeste van hun experimenten op mensen uitvoerden, omdat ze geloofden dat zo'n werkwijze betere resultaten zou opleveren. Sommige experimenten werden ook op dieren gedaan, maar omdat ze een onuitputbare bron van menselijke proefkonijnen konden aanspreken, deden ze geen moeite om katten, apen of ratten te gebruiken.
11. De geheimzinnigheid waarmee proefdieronderzoekers hun werk afschermen rechtvaardigen ze door te verwijzen naar de angst voor terroristische aanslagen.
Proefdieronderzoekers waren geheimzinnig over hun werk lang voordat de eerste bom ontplofte. Decennialang werden vele experimenten op dieren gedaan achter gesloten deuren omdat de onderzoekers zelf beseffen dat wat ze doen zo weerzinwekkend is, dat het publiek een onmiddellijke stopzetting zou eisen indien het zou weten wat er gebeurt.
De aanslagen op laboratoria zijn een uitstekende hulp geweest voor proefdieronderzoekers die ze als excuus hebben gebruikt voor hun geheimhouding en er bovendien de sympathie van het publiek mee hebben proberen te winnen. Bomcampagnes zijn zo succesvol geweest voor de zaak van proefdieronderzoekers, dat men sommige wetenschappers en hun aanhangers ervan verdacht heeft nepbommen en nepdreigementen naar zichzelf te hebben gestuurd.
12. Als al hun argumenten tekort schieten, beweren vivisectionisten vaak dat de resultaten van hun experimenten gebruikt kunnen worden om dieren te helpen.
In theorie is het waar dat geneesmiddelen die tot stand zijn gekomen door experimenten op ratten, gebruikt kunnen worden om ratten te behandelen. Maar gelooft iemand werkelijk dat de proeven op laboratoriadieren worden uitgevoerd met de bedoeling om geneesmiddelen te vinden voor die dieren?
13. Dieren zouden slechts “dingen” zijn bestaan om door mensen gebruikt te worden.
René Descartes was een van de grootste denkers in de geschiedenis en zeker een van de grootste personaliteiten in de zeventiende eeuw, maar hij had een paar zwakke punten en blinde vlekken. De grootste was waarschijnlijk zijn geloof dat dieren geen bewustzijn, verlangens, gevoelens en emoties hebben omdat ze een eeuwige ziel ontberen.
Dieren, verklaarde Descartes met de stelligheid van iemand die door sterke religieuze vooroordelen wordt gedreven, hadden niet meer recht op respect dan een klok; paarden waren niet levender in de menselijke betekenis van het woord dan de rijtuigen die ze voorttrokken.
Als Descartes iets minder tijd zou hebben doorgebracht met het ontrafelen van de geheimen van het universum en wat meer om zich heen gekeken zou hebben, dan zou hij geweten hebben dat hij het niet bij het rechte eind had. Eenvoudige observaties zouden hem verteld hebben dat dieren pijn voelen, lijden wanneer ze ziek zijn, zich vervelen, afzien door depressie en verdriet, rouwen en gek kunnen worden door misbruik.
Elk lid van het dierenrijk is verschillend, maar dat betekent niet dat katten minder levend zijn dan Fransmannen of dat honden minder medelijden verdienen dan kinderen. Zelfs ratten, misschien wel de meest verachte laboratoriumdieren, zijn intelligente, alerte en sociale dieren. Ze kunnen relaties met elkaar en met mensen ontwikkelen en ze raken snel verveeld en gefrustreerd bij opsluiting.
Maar Descartes keek niet genoeg om zich heen en zijn theorieën werden snel als feiten aanvaard. Hij was een machtig en invloedrijk lid van het academische establishment en zijn ideeën sloten goed aan bij het gedachtengoed van andere academici.
Met het verstrijken der jaren verspreidde de Cartesiaanse logica zich in de wetenschappelijke wereld en in de kortste keren zouden wetenschappers die de binnenkant van een kat wilden zien, die kat vastspijkeren op een bank en opensnijden. Ze zouden de gillen en het verzet als evenwaardig aan het piepen van een roestige deurklink beschouwen.
In grote mate was het dus Descartes' rauwe, simplistische en inaccurate filosofie die tot de ontwikkeling van de hedendaagse vivisectie leidde.
Om dieren als “dingen” en niet als gevoelige individuën te kunnen blijven zien, hebben de meeste onderzoekers de gewoonte ontwikkeld om op een volledig onpersoonlijke wijze te schrijven en te spreken over de wezens waarop ze experimenteren. Soms gebruiken ze een wel heel vreemde woordenschat om hun werk te beschrijven. Onderzoekers verwijzen bvb. naar katten als “voorbereidingen”, ze noemen het geschreeuw en miauwen “vocalisatie” en ze gebruiken termen als “nutritionele tekortkoming” i.p.v. hongersdood. Een groep onderzoekers gebruikte ooit de woorden “binoculaire handicap” om pasgeboren katten te beschrijven die ze met opzet blind hadden gemaakt. Wanneer dieren geëlimineerd worden aan het einde van experimenten, dan worden ze vaak “opgeofferd” of “aan euthanasie onderworpen”. Misschien worden onderzoekers er niet graag aan herinnerd dat ze moordenaars zijn.
14. Dieren zouden geen rechten hebben.
Onderzoekers met een eenvoudige manier van kijken naar de wereld zullen regelmatig opwerpen dat dieren geen rechten hebben. Eventueel zullen ze uitleggen dat dieren alleen maar dienen om ons leven makkelijker te maken. Het verst dat ze zullen gaan in de richting van het aanvaarden dat dieren met respect verdienen behandeld te worden, is wanneer ze zeggen dat mensen een verantwoordelijkheid hebben om dieren te behoeden voor onnodig lijden. Het woord “onnodig” kan natuurlijk onmogelijk op bevredigende wijze gedefinieerd worden en slechts heel weinig onderzoekers zullen ooit toegeven dat enig experiment ooit met onnodig leed gepaard is gegaan.
Bron: Why animal experiments must stop- and how you can help stop them.
Auteur: Dr. Vernon Coleman



