Wetenschappelijke informatiedatabase tegen het gebruik van dierproeven

De geschiedenis van dierproeven: een geschiedenis van foute conclusies en vreemde theorieën

Gepubliceerd op: 25-03-2009

Als we de geschiedenis erop naslaan, blijkt dat dierproeven de mens weinig hebben bijgebracht en zelfs meermaas de medische wetenschap hebben belemmerd. Zo hebben de foute conclusies die Galen in de 3de eeuw na christus uit dierproeven trok de medische evolutie bijna 1500 jaar lang tegengehouden en ontelbare mensen het leven gekost.

De bekende fysioloog Edmund O'Meara gaf in 1655 al wetenschappelijke argumenten tegen dierproeven. Hij wees onderzoekers erop dat de martelingen die dieren bij proeven moeten doorstaan hun lichaam in een onnatuurlijke staat brengen, wat het resultaat volgens hem ernstig zou vertekenen.

Maar uiteraard gaat de geschiedenis van dierproeven veel verder terug. Reeds in de 4de eeuw voor Christus sneden Griekse wetenschappers zoals Erasistratus en Aristoteles dieren open voor onderzoek. Aristoteles was van mening dat dieren er enkel waren om de mens te dienen. Aristoteles noemde slaven overigens ook 'bezielde werktuigen' die de maatschappij draaiende moesten houden.
Nog in het Oude Griekenland had men de gewoonte om de toekomst te voorspellen via de ingewanden van dieren zoals varkens, een praktijk waartegen Pythagoras, die geldt als de eerste ethische vegetariër uit de Westerse geschiedenis, fel gekant was.

Foute bevindingen 1500 jaar lang volgehouden

In de derde eeuw na christus deed de Grieks-Romeinse arts Claudius Galenus, beter bekend als Galen, testen op talloze (levende en dode) dieren in een poging het menselijk lichaam te doorgronden. Hij sneed varkens en geiten levend open en deed ook al testen op apen om de functies van de nieren en het ruggemerg te achterhalen.

Zijn theorieën over de bloedsomloop en de menselijke anatomie zouden nog bijna 1500 jaar gebruikt worden, al had dat alles te maken met het gebrek aan medische kennis in de middeleeuwen en niet met de juistheid van zijn bevindingen. Deze werden - pas eeuwen later - volledig weerlegd door wetenschappers William Harvey en Andreas Vesalius. Vesalius deed in de zestiende eeuw omstreden dissecties op de lichamen van misdadigers die geëxecuteerd waren en schreef het eerste complete boek over de menselijke anatomie.

Harvey kon dankzij zijn autopsies een veel accurater beeld van de menselijke bloedsomloop schetsen dan Galen had gedaan. Maar hij kreeg het aan de stok met de kerk. Daarom beweerde hij in het openbaar dat zijn resultaten van dissectie van dieren voortkwamen.

Galen geeft ons een extreem voorbeeld van hoe dierproeven de medische wetenschap kunnen belemmeren. Hoeveel mensen zijn er gestorven door zijn verkeerde bevindingen, die hij via dierproeven verkreeg, en die 1500 jaar lang als heilig werden beschouwd? Hoeveel verder had de hedendaagse wetenschap kunnen staan indien Galen mensspecifieke onderzoeken had verricht of wetenschappers zijn bevindingen eerder aan de mens hadden getoetst?

Je zou kunnen stellen dat Galen nu eenmaal in een tijd leefde dat de wetenschap nog niet zo ver stond. Maar dat neemt niet weg dat zijn methoden foutief waren. Bovendien beschreven de Chinezen in 2650 vC in het boek Nei Sing al dat het hart bloed rondpompt in een constante cirkel. Zij kwamen, drieduizend jaar voor Galens tijd, door menselijke autopsies tot een veel accuratere theorie dan die van Galen.

Menselijke autopsies werden in de Renaissance de standaardmethode en er werd op korte tijd meer medische vooruitgang geboekt dan in de honderden jaren voordien. Tot in de achttiende eeuw leek het erop dat menselijk onderzoek een onmisbaar onderdeel van wetenschappelijk onderzoek waren geworden. Maar daar kwam verandering in door Descartes en later Claude Bernard.

De dierlijke machines van Descartes

In de 17de eeuw was het heel pover gesteld op het gebied van dierenwelzijn en dierexperimenten namen vaak gruwelijke proporties aan. Deze proeven werden rechtvaardigd door Descartes, die onder andere het schoothondje van zijn vrouw vastnagelde en het beestje levend opensneed. Volgens hem hadden zelfs apen niets gemeen met mensen. Dieren konden niet communiceren en hadden geen intelligentie. Zijn ridicule stelling dat dieren gevoelloze machines waren, moedigde heel wat wetenschappers aan om gruwelijke proeven te doen. Vooral de bloedsomloop fascineerde de 17de eeuwse wetenschappers en voor het onderzoek daarnaar werden talloze dieren, ook honden en katten, vastgenageld en levend opengesneden.
Volgens Descartes gilden de dieren niet van de pijn, maar omdat machines nu eenmaal piepen als zij uit elkaar gehaald worden.

Uiteraard kreeg Descartes tegenwind van collega's. De Franse schrijver Voltaire had een hekel aan wreedheden jegens mensen en dieren en hij dreef dan ook de spot met Descartes theorieën.
De Franse wetenschapper en schrijver Fontenelle merkte op dat een vrouwelijke en mannelijke hondenmachine samen een kleine puppymachine konden maken, wat toch een eigenschap is die je niet meteen van machines verwacht.

Landgenoot en arts La Mettrie, die in de 18de eeuw enorm gewaardeerd werd, schreef 'De mens, een machine' waarin hij beargumenteerde dat als dieren machines waren, mensen het dan ook waren.

Ook in de achttiende en negentiende eeuw werden heel wat dierproeven uitgevoerd. Vooral het uitsnijden en verminken van organen bij levende dieren was erg in trek. Daarbij werd er niet gelet op het lijden van de dieren in kwestie. Dit lokte heftige reacties uit bij het volk. Eind 19de eeuw ontstonden er wereldwijd organisaties tegen vivisectie.

Toen men Charles Darwin in 1871 vroeg naar zijn mening over dierproeven, schreef hij: 'Vivisectie is een onderwerp dat me ziek maakt van afschuw. Ik zal er dan ook niet dieper op ingaan, mits ik dan vannacht niet zal kunnen slapen.'

Claude Bernard, prins der vivisectoren

Toen Claude Bernard in 1865 meende te weten dat toxische stoffen dezelfde effecten hebben op mensen als op dieren, gaf hij de vivisectoren van die tijd een machtig excuus om volop verder te gaan met hun vaak enorm wrede proeven. Hij maakte dierproeven tot een onderdeel van de standaardmethode bij wetenschappelijk onderzoek. Hij wist zijn collega's ervan te overtuigen dat indien een ziekte niet in een dier kon gereproduceerd worden in een labo, die ziekte eenvoudigweg niet bestond.

Dat leverde hem de dubieuze titel 'De prins van de vivisectoren' op. Zijn vrouw Marie-Françoise Martin en hun dochter waren echter niet blij met deze titel: Martin besloot zelfs van Bernard te scheiden omdat ze de gruwel van zijn experimenten niet kon aanzien. Zij richtte een opvangcentrum voor straathonden op. Samen met haar dochter schuimde ze de straten af om honden te vinden voordat Bernard ze vond om te gebruiken voor zijn experimenten.

Een van Bernards studenten, George Hoggan, was medeoprichter van de eerste anti-vivisectiebeweging in Engeland in 1875: de Victorian Street Society.
Over zijn opleiding bij Bernard schreef hij: 'We offerden dagelijks één tot drie honden, naast konijnen en andere dieren, en na vier jaar experimenteren kwam ik tot het besef dat geen enkel van deze dierproeven nodig of verdedigbaar was.'
Verder schreef hij dat geen enkele medische student of dokter het aandurfde om twijfels te uiten over de vivisectie, uit angst om uit hun functie gezet te worden.

Dieren injecteren met stoffen

In de negentiende eeuw waren er enkele grote medische doorbraken, die ten onrechte vaak aan dierproeven worden toegeschreven. De Duitser Robert Koch, die onderzoek deed naar cholera en tuberculose, deed heel wat dierproeven. En hoewel hier door voorstanders van vivisectie maar al te graag de nadruk op wordt gelegd, vormden de dierproeven eerder een rem op zijn onderzoek. Koch schreef in 1884 dat hij eindeloos had geprobeerd muizen met cholera te besmetten. Tevergeefs: de diertjes bleven gezond. Ook proeven met apen, katten, honden en pluimvee leverden niets op. Koch gaf het op en ontdekte de ziekmakende organismes door onderzoek met zijn microscoop van materiaal van menselijke slachtoffers van de ziekte. Via epidemiologisch onderzoek was hij in staat om na te gaan hoe de ziekte zich verspreidde.

Via proeven op muizen ontwikkelde Koch een vaccin tegen tuberculose. Toen hij het uitteste op dieren bleek het bij sommige mensen niet te werken en bij anderen zelfs de ziekte aan te wakkeren. 
Koch schreef dan ook: 'Een proef op een dier geeft geen zekerheid van het resultaat van hetzelfde experiment op mensen.'

De Franse chemist en bioloog Pasteur leverde drie grote bijdragen aan de medische wetenschap: sterilisatie, pasteurisatie en zijn ziektekiemtheorie. Deze theorie, die stelde dat vele ziekten veroorzaakt werden door kleine organismen (microben) wordt door velen als de grootste bijdrage aan de medische wetenschap ooit beschouwd. Pasteur kwam tot zijn conclusie na menselijke observatie
Voor zijn vaccin tegen hondsdolheid deed hij proeven op honden en paarden. Deze bleken echter niet succesvol. Maar het was uiteindelijk een doodziek 9-jarig jongetje dat zijn bevindingen bevestigde, nadat hij hem had ingeënt met zijn vaccin en hij genas.

De ontdekking van infectieziekten luidde een nieuwe tijdperk in op het gebied van dierproeven.Waar vroeger dierproeven hoofdzakelijk bestonden uit opensnijden en ontleden, werden dieren nu massaal geïnfecteerd met bacteriën en giftige stoffen. Vanaf begin 20ste eeuw worden snijproeven steeds vaker onder narcose toegepast, maar bij dit soort onderzoek is het onmogelijk het proefdier te verdoven. Dieren lijden hierbij immers voortdurend pijn of krijgen een lange, slopende ziekte. Ook werden er begin 20ste eeuw heel wat voedselproeven gedaan, onder andere naar vitaminen. Daarbij werd nagegaan hoeveel vitaminen mensen nodig hebben of wat de gevolgen zijn van gebreken. Vaak leidde dit bij de veelgebruikte katten, konijnen en ratten tot ziekteverschijnselen, krampen en zelfs de dood.

Begin 20ste eeuw was er al een machtige farmaceutische industrie. Er werden volop dieren gebruikt voor studies van ziekten, geneesmiddelen en bacterieën. Ook naar kanker werd er al heel wat onderzoek gedaan. In 1913 werd één vijfde van de proefdieren in Engeland gebruikt voor kankeronderzoek.

Gifgasproeven waren erg in trek tussen de twee wereldoorlogen. In haar jaarverslag van 1931 tekende de religieuze Quakerbeweging volgend protest aan, dat ze verzonden naar de overheid: 'Onze aandacht is gevestigd op het vreselijk lijden van dieren veroorzaakt door gifgas en andere proeven te Porton bij Salisbury en te Cambridge, waar honderden dieren, waaronder paarden, katten, schapen en apen, voor deze proeven worden gebruikt. Wij spreken als Vereniging ons protest uit, in naam der menselijkeheid, tegen deze slechte praktijken.'

De Engelse medicus dokter Hawden bracht begin 20ste eeuw medische argumenten tegen dierproeven. Via publicaties en voordrachten gaf hij aan dat de toenmalige medici helemaal niets geleerd hadden uit dierproeven. Hij was jarenlang voorzitter van de grootste anti-vivisectieorganisatie, de British Union for the Abolition of Vivisection.

In 1938 werden in Engeland en Schotland welgeteld 958.761 dieren gebruikt voor vivisectie, althans volgens de officiële cijfers en enkel gewervelde dieren werden in de cijfers opgenomen, aangezien de rest buiten de Engelse wetgving vielen. Proeven op of het ontleden van dode dieren wordt hier niet meegerekend. De Nederlander Felix Ortt (meer over Felix Ortt weten? Klik hier.), die uitvoerig onderzoek deed en schreef over vivisectie, schatte in 1941 het wereldwijde aantal dieren gebruikt voor vivisectie op zo'n 12 à 15 miljoen dieren per jaar.

In de jaren 1930 en 1940 werden dissecties in het onderwijs al gedeeltelijk vervangen door video's. De twijfel of ontleden van dieren wel nut heeft, was al rond de eeuwwisseling ontstaan, maar door de opkomst van de video had men nu een fantastisch alternatief voorhanden. De Nederlandse Bond Tot Bestrijding Der Vivisectie voerde een enquête uit onder Nederlandse medici waaruit bleek dat velen onder hen dissectie niet als nuttig hadden ervaren tijdens hun opleiding. De Bond hielp bij het ontwikkelen van een video, die aan reeds in 1940 aan de universiteiten van Utrecht en Leiden werd gebruikt.

Leen Raats
activist/journalist Bite Back

Bronnen

Felix Ortt en Annie Ruys, “De strijd tegen de vivisectie, gemotiveerd door Annie Ruys en Felix Ortt”,  De Librije Haarlem, 1941.

Colin Spencer, “The heretic's Feast, a history of vegetarianism”, Fourth Estate Limited, 1993.

C. Greek,  “Sacred Cows and Golden Geese: the Human Cost of Experiments on Animals”, Continuum International Publishing Group, 2000.

http://www.xs4all.nl/~jeroenvu/gwv/index.htm

http://www.aboutanimaltesting.co.uk/background-history-animal-testing.html

http://www.scienceclarified.com/Vi-Z/Vivisection.html

http://en.wikipedia.org/wiki/Animal_testing

http://en.wikipedia.org/wiki/Claude_Bernard

http://nl.wikipedia.org/wiki/Felix_Ortt

http://en.wikipedia.org/wiki/Galen