Wetenschappelijke informatiedatabase tegen het gebruik van dierproeven

Tegen dierproeven

Gepubliceerd op: 16-12-2008

De koppenmaker van het Haarlems Dagblad zette op 6 december j.l. boven de klaagzang van ene Jan Salden over dieractivisten het woord ‘terreur’, in zesmaal de standaard lettergrootte. De gefotografeerde activist die met open vizier demonstreert, wordt geplaatst tegen een achtergrond van uitgebrande autowrakken. Wie op de website van de krant het woord ‘terreur’ intypt in de zoekfunctie, krijgt - naast elkaar - de recente aanslag in Mumbai en het vaderlandse dieractivisme. Dan zijn de verhoudingen goed zoek.
Niettemin wil ik de aandacht voor het onderwerp positief waarderen en het eens van een andere kant benaderen.

1. Bijvoorbeeld door erop te wijzen dat de anti-vivisectiebeweging al meer dan 100 jaar oud is. Haar sympathisanten ontwikkelen zich mee met de moderne maatschappij en gebruiken de democratische rechten om voor de proefdieren op te komen. Zolang er dierproeven gedaan worden zullen er mensen zijn die zich daartegen verzetten. Op verschillende manieren. Mijn manier – deze uiting – is er een van.

2. Ieder jaar worden er, alleen al in Nederland, omstreeks 700.000 proefdieren gemarteld en gedood. Dat is bijna 2.000 per dag. De dekmantel waaronder dit gebeurt, is die van de volksgezondheid. In werkelijkheid is het grotendeels nieuwsgierigheid, die in principe geen grenzen kent. Laten we ons vooral geen zand in de ogen laten strooien: in de Tweede Wereldoorlog werkten Duitse toponderzoekers graag mee aan - gedwongen - proeven op mensen. Alles en altijd onder het mom van “de volksgezondheid”. Onderzoekers zijn bezeten mensen; zelfbeperking kennen zij niet of nauwelijks.

3. Bij zo’n ongebreideld aantal dieren dat dagelijks gedood wordt, zou je mogen verwachten dat de volksgezondheid met sprongen vooruit zou gaan. Als dat zo zou zijn, dan zou dat grove geweld tegen dieren nog enigszins geëxcuseerd zijn. Dit is echter niet het geval, zoals een ieder weet die om zich heen kijkt. Het aantal inwendige ziekten dat te genezen is, is verwaarloosbaar. Als Fleming niet toevallig penicilline gevonden had, zou de situatie nog dramatischer zijn. Veel mensen denken dat de hoge gemiddelde leeftijd te danken is aan de medische wetenschap. Dat is niet zo. De levensstandaard is sterk verbeterd tengevolge van de welvaartsgroei, die zich vertaalt in betere arbeidsomstandigheden, sociale voorzieningen enz. Hierdoor kunnen we veel weerbaarder door het leven gaan.

4. Er is geen excuus om dieren dit aan te doen. Niet ethisch: niemand heeft dat recht.
En ook niet praktisch. Juist door maar door te gaan met dierproeven worden veel andere onderzoeksmogelijkheden, met name technologische innovaties, afgeremd. Dat is de paradox: dierproeven zijn niet alleen onbetrouwbaar, zij brengen de volksgezondheid als geheel eerder schade toe dan dat zij haar bevorderen.

5. De politiek sluit hiervoor de ogen en holt blind achter de onderzoekswereld en de farmaceutische industrie aan. In het artikel wordt de CDA-politicus Sybrand van Haersma Buma genoemd, precies een van de mensen die (op dit gebied) van niets weten, zoals gebleken is in interviews met hem op radio en tv. Maar hij is niet de enige.
Ook opeenvolgende ministers van Volksgezondheid missen iedere visie en lef. Budgetten voor onderzoek gaan standaard naar het traditionele onderzoek, naar meer van hetzelfde. Onderzoek buiten de bekende kaders wordt niet of nauwelijks gestimuleerd.

6. Als een van de laatste Europese landen kreeg Nederland in 1977 een Wet op de Dierproeven, na liefst honderd jaar van politieke strijd en verzet van de medische wetenschap. Inmiddels is ook deze wet verouderd. Aanvankelijk had ze een heel positieve uitwerking – een cultuurschok: het aantal dierproeven daalde met de helft!
Thans echter stabiliseert het aantal rond het huidige niveau. Dat is al 10 jaar zo. De wetenschap lijkt hier stil te staan.

7. Een aspect van de wetgeving dat urgent zou moeten veranderen is een aanscherping van de doelen waarvoor proeven zijn toegestaan. Er wordt nu geen onderscheid gemaakt. Voor het minste of geringste wordt naar dierproeven gegrepen. Dat is zeker niet wat de burger wil.
Een ander aspect is de geheimzinnigheid waarmee de proeven omkleed zijn. Buiten een overheidsinspecteur heeft niemand enig inzicht in wat er precies met de dieren gedaan wordt. Vergunningaanvragen worden – op 1 uitzondering na – door adviescommissies afgehandeld in achterkamertjes. Voor zover bekend wordt geen enkele aanvraag om vergunning ooit (definitief) afgewezen.

Men mag gerust concluderen dat de manier waarop dierproeven geregeld zijn een jungle is.

8. Met aanscherping van de wetgeving en een beleid dat actief gericht is op het terugdringen van het aantal proeven valt een wereld te winnen. In eerste plaats voor wat betreft de geneeskunde die naar verwachting eerder op een hoger dan op een lager niveau terecht zal komen. In de tweede plaats voor wat betreft de spanning in de samenleving. In de mate waarin het aantal proeven daalt ontvalt ook de grond aan het dieractivisme.

Ed Destree